Raadhuishof 3
2902 HZ Capelle aan den IJssel
mail naar info@in-netwerk.nl

"Tranen zijn mijn brood, bij dag en bij nacht, want heel de dag hoor ik zeggen: ‘Waar is dan je God?’" Psalm 42:4
Het "Onze Vader" heb ik niet ten diepste geleerd in tijden van comfort en welzijn.
Net als veel christenen leerde ik het als kind uit m’n hoofd, op rustige, ordelijke plekken: in kerkbanken onder glas-in-loodramen, of aan m’n bed, waar de wereld veilig en overzichtelijk aanvoelde. De woorden kwamen toen gemakkelijk. Ze klonken eenvoudig, bijna sereen.
Maar ik begon het Onze Vader pas echt te begrijpen, toen ik het opnieuw ontmoette in de woestijn.
Veel christenen die ik ken, ervaren nu iets wat lijkt op die woestijn.
Niet iedereen zou dat woord gebruiken. Sommigen spreken van woede. Anderen bekennen een aanhoudende angst, alsof de grond onder onze gemeenschappelijke levens stilletjes aan het verschuiven is.
Weer anderen voelen een verstikkende wanhoop die ze nauwelijks onder woorden kunnen brengen.
Maar onder al deze emoties ligt iets diepers.
We rouwen.
Iets waar we op vertrouwden in onze wereld lijkt voor onze ogen te breken – of het nu gaat om politieke onrust, culturele versplintering, wreedheid tegenover kwetsbaren, of de bittere verdeeldheid die zelfs door de kerken loopt.
Het gevoel van verlies is echt.
En hard.
Maar we staan niet alleen in de geschiedenis. Ook de vroege christenen stonden voor een gebroken wereld.
En zij bleven bidden.
Ze baden niet omdat de geschiedenis hoopvol leek, maar omdat ze hadden geleerd dat bidden de manier is waarop Gods volk menselijk blijft, wanneer de wereld monsterlijk wordt.
In zulke tijden is de eerste taak van het gebed niet kalmte.
Het is eerlijkheid.
Voordat christenen over hoop kunnen spreken, moeten we soms toestaan dat we rouwen om wat gebroken is. Er zijn momenten in de geschiedenis waarop terughoudendheid een vorm van ontkenning wordt, waarop de gelovige reactie niet is om onze vastberadenheid te verharden, maar om het hart te laten breken voor God.
De Schrift schaamt zich niet voor zulke tranen.
De Psalmen zijn erdoor doordrenkt. „Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij treurend,” zongen de ballingen toen ze dachten aan de puinhopen van Sion. Zelfs de profeten, die het felst spraken over oordeel, waren vaak zij, die eerst hadden geleerd te treuren.
Christus zelf verweet het verdriet niet. Hij heiligde het.
Staand voor het graf van Lazarus, wetend dat de opwekking slechts ogenblikken verwijderd was, huilde Jezus toch. De tranen waren geen teken van gebrek aan geloof. Ze waren een getuigenis van liefde in een gewonde wereld.
Misschien moeten christenen in onze tijd opnieuw leren huilen.
Laat ik dit duidelijk zeggen.
Vandaag moeten we huilen.
Niet als zij die wanhopen, maar als zij, die weigeren hun hart te verharden. Eerlijk uitgedrukte rouw voor God doet iets wat woede niet kan: het bevrijdt de ziel uit de ijzeren greep van angst. Het doorbreekt de cyclus waarin verdriet woede wordt en woede wanhoop.
Tranen zijn, in de vreemde rekenkunde van het Koninkrijk, een vorm van gebed.
De franciscaanse schrijver Richard Rohr heeft christenen onlangs eraan herinnerd wat de traditie al lang weet. In zijn kleine, doordachte boek The Tears of Things schrijft hij over wat de oude wereld lacrimae rerum noemde – „de tranen der dingen”.
Onder de woede en verontwaardiging die ons openbare leven vaak domineren, ligt iets waarachtigers: verdriet om een gewonde wereld.
Wanneer christenen zichzelf toestaan eerlijk te rouwen, kan dat verdriet mededogen worden, en mededogen wordt het begin van genezing.
Pas dan kunnen we terugkeren naar het gebed dat Jezus ons leerde.
„Geef ons heden ons dagelijks brood.”
In welvarende samenlevingen horen we deze woorden vaak beleefd, bijna abstract. Maar in de woestijn klinken ze anders. In de woestijn is dagelijks brood geen metafoor. Het is overleven.
Israël leerde dit toen ze door de woestijn trokken, ver van de vertrouwde zekerheden van Egypte. Er waren geen graanschuren, geen markten, geen voorspelbare oogsten. Er was alleen manna – brood uit de hemel – dat met de ochtenddauw viel.
Het was precies genoeg voor die dag.
Niet meer.
De les ging niet alleen over voedsel. Het ging over vertrouwen. God leerde zijn volk om één dag tegelijk te leven binnen zijn voorzienigheid.
Christenen in het Romeinse Rijk begrepen dit instinctief. Zij hadden niet de illusie van controle die moderne mensen vaak hebben. Hun gebed om dagelijks brood was letterlijk, dringend en nederig. Zij wisten dat de toekomst aan God toebehoort.
Misschien moeten we dit opnieuw leren.
Wanneer de wereld onstabiel lijkt en de toekomst onzeker, worden we uitgenodigd om terug te keren naar die woestijnschool. Het gebed belooft niet dat de geschiedenis gemakkelijk zal worden. Het belooft dat God zijn volk erdoorheen zal dragen.
Brood valt nog steeds in de woestijn.
„En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.”
Dit is misschien de moeilijkste bede van allemaal.
In onrustige tijden vermenigvuldigen zich de kwetsuren. Er worden woorden gesproken die niet gemakkelijk vergeten kunnen worden. Gemeenschappen splijten. Families vallen uiteen. De verleiding om wrok te koesteren wordt sterk en bedwelmend.
Toch plaatst Christus de vergeving in het hart van het gebed dat zijn Kerk in stand houdt.
Dit betekent niet dat we onrecht als onschadelijk moeten voorstellen. Het betekent ook niet dat we de zoektocht naar waarheid of gerechtigheid moeten opgeven. Het betekent dat we weigeren om haat ons hart te laten koloniseren.
De vroege christenen baden deze woorden in een wereld waar hun vervolgers soms slechts een paar straten verderop stonden. Bidden om vergeving was geen sentimentele vriendelijkheid. Het was een daad van geestelijke weerstand.
Zij lieten niet toe dat het geweld van het rijk zich in hun eigen zielen voortzette.
„En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van het kwade.”
Deze laatste bede erkent iets wat nuchtere christenen altijd hebben geweten: het kwaad is echt en het beweegt zich door de geschiedenis met verschrikkelijke kracht. Geen generatie wordt gespaard van de ontmoeting ermee, in welke vorm dan ook.
Er is nog een verleiding die opkomt in onrustige tijden.
Wanneer de wereld donker en onstabiel begint aan te voelen, gaan christenen soms angstig op zoek naar de antichrist. Elke tijd heeft dit gedaan. Gelovigen speuren de horizon van politiek en cultuur af, op zoek naar die ene figuur die zeker de uiteindelijke vijand van Christus belichaamt.
Toch spreekt het Nieuwe Testament subtieler over dit mysterie.
In de eerste brief van Johannes schrijft de apostel met opvallende helderheid: "U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op…" De geest die Christus bestrijdt, die goddelijk gezag nabootst terwijl hij de waarheid van God ontkent, is sinds het begin in de wereld aanwezig.
Hij verscheen in de oude tirannieën van de wereld.
Hij toonde zijn gezicht in keizers die aanbidding als goden eisten.
Christenen onder Nero kenden iets van die verschrikkelijke geest.
Zij voelden zijn druk in de machinerie van het rijk en de cultus van absolute macht.
En de Kerk overwon hem niet door succesvol de antichrist van de week te benoemen.
Inderdaad, er schuilt een diepere fout in die impuls.
Wanneer we te snel proberen het Beest te identificeren, lopen we het risico het kwaad een soort vastheid te geven die het niet echt bezit. De christelijke traditie is hier altijd voorzichtig geweest.
Het kwaad is verschrikkelijk echt in zijn effecten, maar het heeft niet het soort wezen dat het goede heeft. Het is geen rivaliserend principe naast God. Het is een vervorming, een parasitaire schaduw die valt waar waarheid en liefde worden geweigerd.
Om deze reden zijn christenen vaak wijzer geweest om bescheiden te blijven over de aard van het kwaad zelf. We ontmoeten het existentieel, in wreedheid, bedrog en machtsmisbruik.
Maar het te objectiveren, ernaar te wijzen en te zeggen: „Daar is het!” is vaak een misverstand over haar aard. Het kwaad beweegt zich door de menselijke geschiedenis niet als een stabiel iets dat we kunnen isoleren en vernietigen, maar als een corruptie die zich verspreidt waar het licht van Christus wordt weerstaan.
En dus overwint de Kerk het niet door het Beest correct te benoemen. Zij overwint het door trouw te blijven aan Christus.
De Kerk doorstond het door gebed, door liefde voor de naaste, en door de koppige weigering om de hoop op te geven.
In de afgelopen maanden hebben veel christenen troost gevonden in het kleine, maar verfrissende boek van Hanna Reichel, For Such a Time as This: An Emergency Devotional.
Reichel herinnert gelovigen eraan dat trouw in angstige tijden zelden begint met grote gebaren. Het begint met alledaagse daden van trouw: gebed, gastvrijheid, dienstbaarheid, zorg voor kwetsbaren, en de koppige beoefening van barmhartigheid in een angstige wereld.
Zulke eenvoudige daden lijken misschien klein naast de enorme machinerie van de geschiedenis. Toch zijn ze niet klein in het Koninkrijk van God.
De hongerigen voeden, de vreemdeling welkom heten, de zieken bezoeken, de rouwenden troosten – dit zijn niet slechts gebaren van vriendelijkheid.
Het zijn stille daden van verzet tegen de machten die gedijen op angst en wreedheid.
Nog dieper: het zijn deelnamen aan het gebed dat ons gegeven is. Elke daad van barmhartigheid is een manier om met ons leven te zeggen wat we met onze lippen bidden:
„Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.”
En zo zet de Kerk haar werk voort, ook in onrustige tijden – biddend, dienend, vergevend, de wonden van de wereld verzorgend – in het vertrouwen dat het Koninkrijk vaak juist op zulke kleine en verborgen manieren voortgaat.
Want de geest van de antichrist vind je niet alleen bij heersers of regimes.
Je vindt hem waar macht zich verheft tegen de waarheid, waar angst loyaliteit eist die alleen God toekomt, waar mensen niet als naasten maar als vijanden of als wegwerpbare lasten worden behandeld.
Je vindt hem waar macht wordt verkozen boven zachtmoedigheid, rijkdom boven de zaligheid van de armen, wraak en wreedheid boven barmhartigheid en gerechtigheid – waar het gezicht van Jezus niet wordt herkend in de hongerigen, dorstigen, vreemdelingen, naakten, zieken of gevangenen.
Zulke geesten verschijnen steeds weer in de geschiedenis.
Soms zijn ze subtiel.
Soms – pijnlijk – onmiskenbaar.
Toch blijft de christelijke taak in elke tijd hetzelfde. We verzetten ons tegen de geest van de antichrist niet primair door veroordeling, maar door trouw: door de ware Koning te aanbidden, door onze naasten lief te hebben, door haat te weigeren, en door te blijven bidden, zelfs wanneer de duisternis zich verdicht.
Want Christus is al de woestijn van deze wereld binnengegaan, en de woestijn behoort niet voor altijd aan de beesten.
Maar het gebed eindigt niet met angst.
Het eindigt met verlossing.
Het Koninkrijk waarnaar we bidden komt niet door onze beheersing van de gebeurtenissen, noch door de ondergang van onze vijanden. Het komt omdat God trouw blijft aan zijn schepping, zelfs wanneer de menselijke geschiedenis lijkt uiteen te vallen.
En dus blijft de Kerk bidden.
We bidden door tijden van verwarring heen.
We bidden door tijden van onrecht heen.
We bidden door tijden heen waarin de wereld lijkt geregeerd door beesten.
We mogen rouwen.
We mogen klagen.
We mogen zelfs huilen om ons land en om onze kerken.
Maar rouw uitgesproken voor God wordt gebed.
En gebed voorkomt dat wanhoop het laatste woord heeft.
Want de woestijn is niet het einde van het verhaal.
Het is de plaats waar Israël leerde God te vertrouwen.
Het is de plaats waar Christus zelf vastte en bad.
En het is vaak de plaats waar de Kerk opnieuw ontdekt wat geloof echt betekent.
Brood valt nog steeds in de woestijn.
En het Koninkrijk komt nog steeds.
De beesten van de geschiedenis rijzen op en brullen, en Babylon lijkt altijd onoverwinnelijk voor een tijd. De geest van de antichrist trekt door elke tijd, soms subtiel en soms verschrikkelijk duidelijk. Toch overleeft de Kerk niet door het beest te identificeren. Zij overleeft door te bidden in de woestijn, door haar naasten lief te hebben, en door te vertrouwen dat zelfs hier – zelfs nu – brood nog steeds in de woestijn valt.
Rijken vergaan.
Tirannen vervagen.
De luidruchtige zekerheden van elke tijd lossen op als stof in de wind.
Maar het gebed van Christus blijft op de lippen van zijn volk, dat nooit „weggerukt” wordt, maar blijft en standhoudt, en liefheeft en bidt.
En ergens, zelfs in de woestijn, komt het Koninkrijk al.
Vd Jonathan Tobias is een gepensioneerd orthodox priester, die woont in Edenton, North Carolina. Hij blogt op Jonathan’s Substack.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd door Vd Aidan Kimel op Eclictic Orthodoxy
©️2024 IN Verwondering • Privacyverklaring